Inhoud

Lichten en controlelampjes zijn essentiële elementen om de veiligheid en de zichtbaarheid op de weg te waarborgen. Ze maken het niet alleen mogelijk om de weg te verlichten in verschillende omstandigheden, maar ook om de bestuurder te informeren over de werking van het voertuig en zijn bedoelingen aan de andere weggebruikers kenbaar te maken.

Lichten en controlelampjes

De dimlichten (vooraan)

De dimlichten moeten worden ingeschakeld tussen het vallen en het aanbreken van de dag, 's avonds, in een tunnel, onder een brug of wanneer het regent. Ze zijn ook nodig wanneer het niet meer mogelijk is om duidelijk te zien op een afstand van ongeveer 200 m.

De grootlichten (vooraan)

De grootlichten moeten worden ingeschakeld wanneer de verlichting niet toelaat om duidelijk te zien op ongeveer 100 m. Ze moeten worden gedoofd en vervangen door de dimlichten bij nadering van een tegenligger (voetganger of bestuurder), wanneer een bestuurder lichtsignalen geeft, wanneer men een voertuig volgt op minder dan 50 m (tenzij men het inhaalt), of wanneer de verlichting toelaat om duidelijk te zien op ongeveer 100 m.

De mistlichten vooraan

De mistlichten vooraan mogen worden ingeschakeld (het is niet verplicht) bij mist, sneeuwval of hevige regen. Ze kunnen de dimlichten of grootlichten vervangen of gelijktijdig worden ingeschakeld.

De dagrijlichten (achteraan)

Bij mist, sneeuwval of hevige regen mogen de dagrijlichten vooraan en de dagrijlichten achteraan worden gebruikt.

Richtingaanwijzers

Elke bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren moet dit aangeven door zijn richtingaanwijzers te gebruiken.

Lichten van stilstaande of geparkeerde voertuigen vooraan

Stilstaande of geparkeerde motorvoertuigen, behalve tweewielige bromfietsen, moeten tussen het vallen en het aanbreken van de dag worden gesignaleerd met een of twee dagrijlichten. Bij mist, sneeuwval of hevige regen mogen de dagrijlichten vooraan en achteraan worden gebruikt.

Lichten van stilstaande of geparkeerde voertuigen achteraan

Stilstaande of geparkeerde motorvoertuigen moeten worden gesignaleerd met een of twee rode achterlichten. Bij mist, sneeuwval of hevige regen mogen de dagrijlichten achteraan worden gebruikt.

Les véhicules à moteur à l'arrêt ou en stationnement doivent signaler avec un ou deux feux rouges arrière. En cas de brouillard, chute de neige ou forte pluie, les feux diurnes arrière peuvent être utilisés.

Storing van het antiblokkeersysteem (ABS)

De ABS werkt niet meer. U moet zo snel mogelijk naar de garage om uw voertuig te laten controleren.

Abnormale druk van de motorvloeistof

U moet stoppen, de motor uitzetten en het oliepeil controleren. Indien nodig olie bijvullen. Bij olieverlies moet u zo snel mogelijk naar de garage.

Il faut s'arrêter, couper le moteur et vérifier le niveau d'huile. Si nécessaire ajouter de l'huile. En cas de perte d'huile, il faut aller au plus vite chez le garagiste.

Abnormale bandendruk

De bandendruk ligt onder het door de fabrikant voorziene niveau. Vermijd plotse richtingsveranderingen en bruuske remmingen. U moet de banden oppompen of de band verwisselen als het een lekke band betreft.

La pression des pneus est en dessous du niveau prévu par le constructeur. Il faut éviter les changements de direction et freinages brusques. Il faut aller gonfler les pneus ou changer le pneu s'il s'agit d'une crevaison.

Storing van de airbags

U moet naar de garage om het probleem te laten oplossen.

Il faut se rendre chez le garagiste pour régler le problème.

Het beheersen van het gebruik van de lichten en het aflezen van de controlelampjes is onontbeerlijk om veilig te rijden en de verkeersregels na te leven. Bij een storing is het belangrijk om snel te handelen om de veiligheid van iedereen te bewaren.